Ontstaan van Amsterdam

Amsterdam

vanaf 1275

O

ver alle fascetten van Amsterdam en zijn geschiedenis zijn al vele boekenplanken gevuld. Wij hebben wat “momenten” eruit genomen die van toepassing kunnen zijn op de tijd waarin onze familie-geschiedenis zich heeft voltrokken. Getracht is om met deze informatie een achtergrond te schetsen in de tijd, en op de plaatsen, waar het dagelijks leven heeft plaatsgevonden. Wij hebben dan ook niet de pretentie volledig en compleet te zijn met betrekking tot de geschiedenis van Am­sterdam of dit zelfs maar te benaderen.

Groei van de stad

De eerste vermelding van dit stukje van de lage landen dateert uit 12 oktober 1275, toen graaf Flo­ris V “de lieden die te Amesteledamme wonen” vrijheid van tol gaf voor hun handelswaren. Op dat moment woonden er al een kleine duizend mensen op twee langerekte, lintvormige terpen aan weerszijden van de monding van de Amstel, bij het IJ. Hun huizen stonden aan de Kerkstraat – de huidige Warmoesstraat -, de Nes, de Wetering – de huidige gedempte Nieuwezijds Voorburgwal -, de Kalverstraat en de Nieuwendijk, waarachter aan de Amstelkant nog een haventje was. De dam was vermoedelijk kort voordat Floris V zijn akte tekende in de Amstel gelegd om het achterland te beschermen tegen het opkomende water vanuit het IJ.

De stad bestond in die jaren uit huizen van hout, leem en biezen, zonder schoorsteen, overal liepen er varkens, en hing de geur van vis, en werd er een eeuwige strijd gestreden tegen het water. Er ontstond handel, en het geld begon een belangrijke rol te spelen in de economie. Als de schoen­maker van dat dorp bij de dam rond 1250 een paar schoenen verkocht was daar lang niet altijd geld mee gemoeid. Hij kon er ook een paar kippen voor gekregen hebben of een stuk gezouten var­kensvlees. Honderd jaar later was geld er de gewoonste zaak van de wereld.

De beroepen die in het kleine 14e-eeuwse Amsterdam werden uitgevoerd waren: smid, messen­maker, goudsmid, kruisboogmaker, koperslager, tingieter, schoenmaker, leerlooier, tassen- en beurzenmaker, gordelmaker, draaier, kuiper, mandenmaker, scheepstimmerman, dakbedekker, metselaar, schilder, zager, wever, verver, scheerder, molenaar, olieslager, bakker, slager, viskoper, brouwer, waard, barbier, geneesheer, muzikant, hoer, koopman, schipper, burgemeester, schout, schepen, klerk, rentmeester, notaris, schoolmeester, priester.

Ten opzichte van het platteland werd de jonge stad al snel beschermd door middel van privi­leges: alleen binnen haar muren mochten bepaalde activiteiten verricht worden. En binnen het stadje zelf organiseerden de beroepsgroepen zich weer in gilden met strenge toelatingseisen, waar­van iedere specialist lid moest zijn.

Op de dam werd tol geheven voor bier, er ontstond een biermarkt en dat bracht de boeren en vissers aan de dijk in aanraking met de Noordduitse- en de Oostzeehandel. De Amstel werd een van de belangrijkste invalsroutes naar de binnenwateren van Holland, en van daaruit verder en zo begon men ook graan te verhandelen, en anderen massa produkten, richting zuid.

Vanaf 1300 werden de huizen van de stad langzamerhand van steen en vanaf 1400 werd het, na een paar grote branden, zelfs verboden om nog langer houten huizen te bouwen. Er kwamen kerken, eerst de Oude of Sint Nicolaaskerk en kort na 1400 stond de rijke koopman Willem Eggert zijn boomgaard bij de dam af om daar een tweede kerk te bouwen: de Sint Catharina, ofwel Nieuwe Kerk.

Ook de defensie van het stadje werd verbeterd. De eerste stadswal liep binnen de Oudezijds en Nieuwezijds Voorburgwal. Het was een eenvoudige aarden wal, verhoogd met een rij houten palen, en daarvoor een smalle gracht. Maar al gauw groeide de jonge stad uit haar voegen en na 1380 werden de gronden tot aan de Oude- en Nieuwezijds Achterburgwal opgehoogd en bij de stad getrokken en weer een eeuw later gebeurde hetzelfde nog eens, nu tot de Kloveniersburgwal en de Singel. De oudst bekende kaart, die van Cornelis Anthonisz uit 1544 heeft nog de begrenzing langs het IJ, Geldersekade, Kloveniersburgwal, Amstel en Singel.

Er werd nu een degelijke, brede muur om de stad gebouwd, met poorten – de latere Waag op de Nieuwmarkt is er een restant van – en bastions – de Schreierstoren. In het buitengebied kwam een schans met aan het eind een extra versterking – de latere Montelbaanstoren. Het geheel was vooral bedoeld als defensie tegen de Gelderse plunderbenden die in die jaren het land onveilig maakten.

De stedelingen van toen aten: rogge- en gerstebrood, en alleen als ze rijk waren hof- of heren­brood van tarwebloem. Verder aten ze erwten, bonen, rapen, vis, gevogelte, hazen, konijnen, kaas, boter, eieren en spek, ze kookten een brij van boekweit, gerst of haver. Groenten en fruit golden als luxe bijprodukten. In de stad werd meer varkensvlees gegeten dan elders in Holland, vermoedelijk omdat de Amsterdammers het recht hadden om hun varkens onbelemmerd langs de IJ-oevers te laten grazen. De gewone man kruidde het eten met inheemse produkten zoals zout, karwij, dille, look, mosterd en uien.

Vanaf 1560 escaleerde broeiende conflicten. Met het aantreden Filips II, zoon van de Habsburgse keizer Karel V, groeide het verzet van de burgers tegen extra belastingen, vreemde sol­daten en de vervolging van niet-katholieken. Willem van Oranje had aanvankelijk de rol van be­middelaar, later als aanvoerder van het verzet.

In 1566 sloeg ook in Amsterdam de vlam in de pan. Een grote menigte trok langs de Burgwallen, roepend en schreeuwend en het ene klooster na het andere moest het ontgelden. De beeldenstorm raasde door de oude kerk en ook het gehate Minderbroeders klooster, het centrum van de ketterjacht, werd belegerd. Eind april 1567 kwam het bericht dat de hertog van Alva met een grootleger onderweg was om de rebellie in de lage landen te onderdrukken.Willem van Oranje vluchtte. De geuzen en de troepen van Alva trokken plunderend en brandstichtend door het land. Er heerste hongersnood in Amsterdam, mensen lagen dood op de weg, “alsof het kadavers van beesten waren, zo vergingen ze daar, en ze werden door de honden en de vogels gegeten”, schreef een Am­sterdamse pater.

Katholiek zou de stad altijd enigzins blijven, onder de schijn van de calvinistische staatsgods­dienst, en schuilgemeenten werden al snel oogluikend toegestaan, maar de katholieke macht was over.

De drukte op straat op dat kleine gebied, het moet indrukwekkend geweest zijn, en de stoffige keuren en verordeningen in het archief getuigen daar nog steeds van: verboden om pispotten uit de bovenramen op straat leeg te kiepen, verboden op het wegwerpen van vuil, op het loslaten lopen van varkens, op het hebben van stoepen en uithangborden in smalle straten.

Pas nadat Amsterdam de kant van de geuzen had gekozen en er een nieuwe, calvinistische re­gentenclan aan de macht was gekomen begon men serieus aan een nieuwe stadsuitbreiding te werken. Als eerste werd een 3-tal eilanden in het IJ aangeplempt – een methode waardoor men de grondspeculanten te slim af was -, Uilenburg, Rapenburg en Marken heetten die eilanden, het begin van de latere Nieuwmarktbuurt, en er kwamen woningen, en veel ruimte voor werven en pak­huizen. Het werd een gebied voor nieuwkomers, met name de gevluchte joden uit Spanje. Het plat­tegrond van Pieter Bast uit 1597 laat zien dat er al huizen gebouwd zijn aan de andere zijde van het Singel en ook aan de onevenzijde van de Herengracht. Naar het oosten toe is de stad sterk uitge­breid.

Aan de andere kant van de stad werd de stadsmuur vervangen door een modern stelsel van aarden wallen en bolwerken, en tegelijk werd een nieuwe schil van ongeveer 150 meter breed rond de stad getrokken. De oorspronkelijke stadsgracht, de Singel, werd gepromoveerd tot woongracht, daarachter kwamen huizen en een straat, dan een wal, en daarachter een nieuwe gracht. Rond 1586 was het hele werk klaar.

Maar de stadsbevolking bleef groeien, en amper 20 jaar later werd opnieuw tot een uitbreiding besloten. Met deze 3e vergroting ontstond het begin van de bekende halve-maan vorm van de Am­sterdamse grachtengordel.

De Herengracht werd verbreed, daaromheen kwam een 3e gracht, de Keizersgracht, daaromheen een 4e, de wat volksere Prinsengracht, daarachter een groot middenstands- en werklieden kwartier, om nog altijd onopgehelderde reden al snel Jordaan genoemd, en daarachter kwam ten slotte, bij de huidige Nassau- en Stadhouderskade, een wal en een fortificatie zoals die bij een rijke stad als Am­sterdam paste. De grachten waren bedoeld voor de nieuwe rijkdom die de stad bevolkte: ze werden royaal ingetekend, achter de huizen was veel ruimte voor tuinen en groen en het uitoefenen van la­waaiige en smerige bedrijven was er verboden. In diezelfde periode werden in het IJ opnieuw twee omvangrijke woon- en werkeilanden aangeplempt: het Prinseneiland in het westen, en Wittenburg en Kattenburg in het Oosten. In 1625 verschijnt de negendelige vogelvluchtkaart van Balthasar Flo­risz. De grachtengordel is al ontworpen en de eerste fase van het graafwerk is voltooid, zo tot on­geveer de Leidsegracht. De Jordaan is al in kaart gebracht, er staan al huizen in de Haarlemmer­straat. En naar het oosten is Rapenburg, de Lastage en het latere Waterlooplein ontstaan.

Amsterdam kreeg iets kosmopolitisch, een eigenschap die ze daarna nooit helemaal meer is kwijtgeraakt. De schilderkunst was buitengewoon populair, schilderijen werden op de markt verkocht en in elk huis hing wel een “stuckje” aan de muur. Aan de Breestraat, was Rembrandt van Rijn uit Leiden zelfs een klein schilderijen fabriekje begonnen, en de modellen voor zijn bijbelse taferelen had hij in de levendige, drukke “Joodse” Breestraat voor het oprapen.

In 1595 voeren de eerste handelsexpedities naar Oost-Indie – van de 250 man die vertrokken zouden slechts 99 twee jaar later de stad terug zien.

Rond 1650 was het aantal inwoners gestegen tot 200.000, en waren de grachten verder uitge­graven. Het stadsplattegrond krijgt het vertrouwde beeld zoals dat ook op de afgebeelde prent te zien is. De laatste Singelgracht met de vele bolwerken, moet de stad beschermen tegen eventuele indringers. Toegang tot de stad krijgt men vanuit het noorden via de bewaakte openingen in de dubbele palenrij zodat de schepen niet zomaar de stad konden binnenvaren. In de op palen geplaat­ste wachthuisjes hielden de soldaten en de dienaren van de Admiraliteit toezicht op de in- en uit­gaande goederen. De verschillende openingen hadden elk hun eigen naam en zo waren er, om er enkele te noemen, de Keerweersboom, de Admiraliteitsboom, de Nieuwebrugsboom, de Zoutkeets­boom enz. Bij het openen en sluiten van deze openingen, werd de “boomklok” geluid. En wie na het sluiten toch in Amsterdam wilde blijven, had alleen keus tussen het Tolhuis aan de overzijde van het IJ, of de Nieuwe Stadsherberg.

Te voet, te paard of per as, kon men via de Haarlemmer-, de Leidse-, de Utrechtse-, de Weesper- of de Muiderpoort de stad binnenkomen. En dan zijn er nog enkele kleine toegangen voor lokaal gebruik, zoals de Zaagmolen-, de Raam- en de Weteringpoort.

De stad veranderd, en binnenshuis groeide de sfeer ook langzaam mee. Het patroon van de maaltijden verschoof. Er werden waarschijnlijk slechts twee maaltijden gebruikt: om elf uur ’s ochtends het middagmaal en ’s avonds werd dan nog iets kleins gegeten. Maar onder invloed van de handel, die ’s ochtends meer tijd nodig had, schoven, met de beurstijd, de maaltijden in de stad steeds verder op naar de middag. Zo kregen de stedelingen ’s ochtends vroeg ook behoefte aan een kleine maaltijd met brood, vlees een spierinkje en een glas bier.

Ook de taal die gesproken werd veranderde sterk. Het oude Amsterdams leek in klank meer op het Zuidafrikaans dan op het huidige Nederlands, maar dat onder invloed van al die immigranten totaal

verdween. Eén derde van de stadsbevolking sprak plat-Antwerps, de gegoede burgerij sprak Frans, en niemand die mee wilde tellen waagde zich nog aan het bottige Hollands.

Wanneer we opeens zouden worden teruggezet in dat slapende Amsterdam in het midden van de 19e eeuw dan zou ons waarschijnlijk als eerste de volstrekte duisternis opvallen, de absolute don­kerte waar in de stad zich na het vallen van de avond hulde. Er waren maar een paar straatlantarens, en bij volle maan werden ze niet eens ontstoken. De geluiden waren die van de karren en voetstap­pen. En verder zouden we getroffen worden door de stank. Een stadsbeschrijving uit die jaren spreekt over “walgelijke vuilnishopen, mestbelten en dergelijken” en over de intens vuile grachten, die bij laagwater “hare onbeschrijflijke inhoud toonden”. Regelmatig werd de stad geteisterd door cholera-epidemieën – nog in 1866 vielen er elfhonderd slachtoffers. Eén op de twaalf Amsterdam­mers woonde in een kelderwoning. De kindersterfte was hoog en een “behoeftig” arbeider werd gemiddeld niet ouder dan dertig jaar.

Met de komst van de Franse revolutie werd Holland ingelijfd bij Frankrijk, de stad zou haar trotse stadhuis verkwanselen als paleis voor de nieuwbakken koning Lodewijk Napoleon.

Rond 1860 begon de industrialisatie. Met de opbrengsten van het vakkundig uitgebate Indië werd de aanleg van een net van spoorlijnen, en het graven van Noordzeekanaal in 1883 gefinan­cierd. Er kwam meer werk, arbeiders begonnen naar de stad te trekken en die trek werd een regel­rechte immigratiegolf tegen het eind van de eeuw. Bij de volkstelling van 1859 telde de stad voor het eerst meer inwoners dan in de Gouden eeuw: 243.000. In 1900 was het aantal verdubbeld tot 510.000.

Binnen twee decennia werden meer grote projekten aangepakt dan in de twee eeuwen daarvoor: het Centraal Station werd gebouwd, het Rijksmuseum, het Concertgebouw, het enorme Paleis voor Volksvlijt, het Amstelhotel, er kwamen trams, telefoons en een begin van elektriciteit, de haven werd uitgebreid met een grote Handelskade, het Vondelpark werd geplant, er werden nieuwe kran­ten opgericht, vakbonden, nieuwe politieke partijen, de literatuur sloeg ongekende paden in.

De nieuwe uitleg van de stad kondigde zich al voor 1870 aan, de stad brak weer als van ouds uit haar voegen: zodra de open plekken in de oude binnenstad waren bebouwd, begon men buiten de oude Singelgracht nieuwe huizen, nieuwe straten, zelfs nieuwe wijken te stichten. Op de eisen van stadsschoon werd in het geheel niet gelet en men bouwde eigenlijk maar zoals het toevallig uitkwam. Men stond voor een massabouw, een praktijk van huizenbouw, die eigenlijk onbekend was. Vandaar dat de oudere nieuwe wijken van Amsterdam die rond 1870 zijn aangelegd, er zo smakeloos uitzien. Buiten de singels werd het grachtenkarakter van de stad zo goed als geheel verwaarloosd: niet alleen werden geen nieuwe grachten gegraven, dat gebeurde bijvoorbeeld in buurt YY, de schildersbuurt die door de gemeente tot de Pijp werd gedoopt, maar waar de grachten bestonden werden zij ook nog gedempt. Het verkeer had meer ruimte nodig.

Ingrijpend voor het karakter van de stad was intussen de demping van het Spui en van de beide burgwallen van de nieuwe zijde. De Nieuwe Zijds Achterburgwal verloor zelfs haar naam; zij werd tot Spuistraat herdoopt. De Nieuwe Zijds Voorburgwal behield haar water wat langer, tot 1883. Nog werden na 1870 in de jodenbuurt de Houtgracht en de Leprozengracht gedempt; zo ontstond hier het Waterlooplein.

De grote stadsuitbreiding in 1875 maakte de herziening van de huisnummering noodzakelijk. Nog sinds 1852 werden de buurten van de stad als uitgangspunt genomen, en werd er niet per straat genummerd. Elke buurt had een letter, daarachter kwam het nummer dat het huis als onderdeel van de buurt droeg. Zo is overigens de PYP aan zijn naam gekomen, een verbastering van buurt YY. Door de uitbreiding werden er straatnamen en nummers aangebracht. De straten en grachten wor­den genummerd van het Centrum of van de Amstel af.

Amsterdam legde in deze tijd zijn Plantage aan als een stadspark met lanen en tuinen en andere oorden van ontspanning. In het begin van de negentiende eeuw voldeed de Plantage nog aan de eisen van de tijd; het werd druk bezocht door de burgerij, die van de vrije natuur wilde genieten en in de tuinen soms wat uitbundig vermaak zocht.

In de tweede helft van de negentiende eeuw voldeed de Plantage niet meer aan de eisen van natuurschoon en natuurgenot, het gemeente bestuur liet toe dat hier steeds meer tuinen en open plekken werden bebouwd. De Plantage werd zelfs de moderne schouwburgbuurt. Bovendien begon Artis vanaf 1838 steeds meer gebied in beslag te nemen, waardoor publiek terrein verloren ging.

In 1864 werd de eerste stap gezet tot de aanleg van het Vondelpark. Al op 15 juni 1865 kon het eerste park, dat acht hectaren groot was, voor het publiek worden geopend. Maar na die tijd is de aanleg geregeld doorgegaan. Ongeveer de helft, 23 hectare, was al in 1875 aangelegd; voor het einde van de negentiende eeuw had het Vondelpark zijn volledige omvang gekregen.

In minder dan vijf eeuwen groeide Amsterdam vanuit een moerassige veengrond tot een stad, waarmee politiek en economisch overal rekening werd gehouden.

Het ontstaan van de Jordaan

De Jordaan, – bezongen tot ver over de grenzen – is een volksbuurt die werd aangelegd bij de derde vergroting van de stad in 1612. De buurt wordt begrensd door de Brouwersgracht, Raamstraat, Lijnbaansgracht en Prinsengracht en was bedoeld als wijk voor de kleine burgerij, voor handwerk­lieden en neringdoenden.

De bouwgrond waarop de Jordaan is verrezen, was in handen van de Amsterdamse regenten en grondspeculanten. Het bebouwen door hen was niet aan voorschriften gebonden, zodat de paden verbreed werden tot straten en de sloten uitgediept werden tot grachten, zonder een vooraf gepro­jecteerd bouwplan. De Bullebaksloot werd Bloemgracht, het Lijnbaanspad werd Laurierstraat en het Brabantspad werd Passeerdersstraat.

De nieuwe Amsterdamse wijk werd voor het merendeel bewoond door vreemdelingen, die niet of nauwelijks Nederlands spraken en afkomstig waren uit Frankrijk, de Zuidelijke Nederlanden, Duitsland en Engeland. Veel van de nu nog bestaande straat-, gracht- en buurtnamen verwijzen naar de ambachten die daar door de nieuwe bewoners werden uitgevoerd. Rond 1623 bezat de Bloem­gracht – die eigenlijk bestemd was als bloemmarkt – lakenweverijen. De lakenververs, die voorheen in de buurt van de Raamgracht en Verversstraat gevestigd waren, verhuisden toen naar de Bloem­gracht. De geverfde lakens moesten namelijk om te drogen op ramen worden uitgespannen, daarna werden zij door de keurmeesters onderzocht, gewogen en van een zegel voorzien. Die ramen lagen buiten de stadswallen – in de buurt waar wij nu nog de “De Raampoort” kennen. Overigens bestaat deze poort niet meer, maar de naam blijft voortleven als de naam van het huidige politiebureau. Meer naar het zuiden, op de hoogte van de Elandsgracht, woonden de lieden die in dierenhuiden en -vellen handelden of deze bewerkten. Vandaar de straatnamen Ree, Harten (Herten) Konijnen en Hazen, Wolven en Beren. Naast deze buurt bevonden zich de leerlooierijen (Looiersbuurt, Huiden- en Runstraat) en de looierskuipen stonden aan de buitensingel, de Prinsengracht.

Bij de verdere bebouwing van dit stadsdeel, werden de looierijen verplaatst naar het “Noorder­bos”, daar waar nu de Noorderstraat en de Nieuwe Looiersstraat zijn.

De westelijke Jordaangrens, de Lijnbaansgracht, ontleent haar naam aan de lijnbanen, die geves­tigd waren aan de Schans (Marnixstraat).

De laatste gronden van de Jordaan die bebouwd werden lagen in de driehoek: Palmgracht – Brouwersgracht – Lijnbaansgracht. Uiteindelijk werden er in de Jordaan elf grachten gegraven, waarvan er in latere jaren zes gedempt zijn, namelijk:

de Goudsbloemgracht, 1857 (Willemsstraat)

de Anjeliersgracht, 1861 (Westerstraat)

de Elandsgracht, 1891

de Lindengracht, 1895

de Palmgracht, 1895

de Rozengracht, 1895.

Het sociale leven rond 1900

Tegen het einde van de 18de eeuw werd de Jordaan een verschrikkelijke pauperbuurt. Dit gold overigens niet alleen voor de Jordaan maar voor vrijwel de hele stad. Het ergste manifesteerde het verval en de verarming zich in buurten als Marken en Uilenburg (de joodse buurt), de zogenaamde Duvelshoek (tussen Reguliersbreestraat en Reguliersdwarsstraat) en in de Jordaan.

De arbeider verdiende voor 1845 een schamel loon. Hierdoor liet zijn voeding, kleding en huis­vesting te wensen over. Onder de voedingsmiddelen was de aardappel de voornaamste, die werd met azijn en mosterd gegeten. Veel brood werd er niet gegeten, meestal roggebrood. Het verbruik van vlees en goedkope vis nam snel af, meelpap kwam daar voor in de plaats. Het drankmisbruik (jenever) kwam veel voor, en werd vaak bevorderd door de slechte voeding, nare woontoestanden en het weinig aantrekkelijke werk: het dreef de man naar de herberg, die de salon van de armen was.

Met de woonomstandigheden was het erbarmelijk gesteld. De arbeiderswoningen werden veelal bewoond door de armoedige klasse. Voor de slechtste éénkamerwoning werd een huur betaald van 25 à 35 cent, voor de wat betere betaalde men 70 à 90 cent per week, terwijl een ambachtsman on­geveer ƒ 1,20 per dag verdiende. Zo’n éénkamerwoning was nog relatief goed vergeleken met de vele kelderwoningen, waarvan er in 1858 (in heel Amsterdam) 5000 waren met 23000 bewoners.

“Eén kamer, negen mensen

’t Is een armoedige, kleine woning, die door Dirk de Vries, bijgenaamd ‘de Manke’, met zijn grote gezin wordt bewoond. Het lage, bouwvallige huisje, dat zich in een slop, uitkomende in de Passeerdersstraat, bevindt, bestaat uit één vertrek, met een klein hokje, een zogenaamd keukentje er naast. De deur die niet goed meer gesloten kan worden, en een smal venster laten nauwelijks licht en lucht genoeg binnen voor zoveel ademende mensen. Alles draagt daarbinnen de kentekenen van verval en ouderdom maar niettegenstaande de wormstekige betimmering, de brokkelende muren en de vermolmde vloer is het er zindelijk, want Dirks vrouw houdt zoveel zij kan, aan alles de hand. Naast de bedstede is een van oude planken getimmerde slaapplaats, waarin twee meisjes van negen en zes jaar liggen; op een strozak onder de tafel rusten twee jongens van dertien en elf jaar onder een oude, wollen deken en een paar kledingstukken. Rechts naast de deur, die tot het keukentje toegang geeft, staat een houten kist waarin een mager meisje van vijf jaar en een roodwangig kereltje van drie jaar sluimeren. Daar klinkt uit de bedstede een zwakke, pijnlijke kreet. Langzaam staat vrouw De Vries op, legt draad en naald ter zijde en gaat naar het bed, waarop haar jongste kind, een bleek, ziekelijk jongetje van bijna anderhalf jaar ligt”.

Laurierstraat de klokkengang, perceel no. 125. Het is een éénkamer-woning, 3 m diep bij 2,50 m breed. Geen doorlopend privaat, maar wel duinwater. In de kamer bij de deur staat een soort stilletje. De huurprijs is ƒ 1,- per week. De bewoonster is een weduwe van 52 jaar, zij heeft 4 kinderen; een jongen van 17 jaar in betrek­king bij de stads-reiniging met een verdienste van ƒ 3,- per week, een jongen van 15 jaar, die idioot is en nog 2 kinderen van respectievelijk 12 en 8 jaar. Van het loon van de oudste zoon leeft hoofdzakelijk het gezin. Het ge­hele huisgezin leeft in dat kamertje. De bedstede is in twee verdiepingen verdeeld. De twee oudsten slapen in het bovengedeelte, de moeder met de beide anderen kinderen in het benedengedeelte. De vrouw is lidmaat van de Ned. Herv. Gemeente, maar nog nooit is er iemand van wegen de kerk bij haar geweest”.

Looijerstraat, de percelen no. 41, 43, 45, 47, en 49 kan men alleen bereiken door middel van een gang, die 1,75 m hoog en 0,78 m breed is. Perceel no. 41 het kamertje is 3 m lang bij 2 m breed en 2,35 m hoog, de lichtoppervlakte is 1,80 m bij 1,30 m, de raampjes zijn alleen bedekt met een paar stukken vitrage-gordijntjes en desondanks is het er zo donker, dat je eerst enige minuten in het vertrekje moet wezen om behoorlijk te kunnen kijken, en de bewoners verkeren immer en altijd in halfduister. Er is geen doorlopend privaat en de bewoonster, die geen emmer in de kamer wil hebben vanwege de stank, werpt haar faecaliën ’s avonds maar op straat. De bewoonster vertelt, dat zij reeds 13 jaar weduwe is, haar man was metselaar, hij is op een karwei in de Plantage van de steiger gevallen en bleef op de plaats dood. De patroon heeft aan de weduwe van zijn arbeider niets gegeven, dan een paar troostwoorden. Zij is lid der Roomsch-Katholieke kerk, de kerk weigert haar onderstand, wel kan zij in het besjeshuis geplaatst worden, maar dat… dat wil zij niet, zij wil niet gekleed gaan in dat uni­form, opstaan en naar bed gaan als de bengel zich doet horen en steeds gehoorzamen aan elk haar gegeven bevel. Zij zou dan geen honger hoeven te lijden en een goed bed hebben, maar haar beetje vrijheid is haar alles en daarom … nee, nee, zij gaat nooit naar zo’n gevangenis”.

Passeerderstraat, perceel no. 26, een oud echtpaar dat op een vertrekje, afgeschoten van de zolder, woont. De huur van dit vertrekje, tweehoog achter, is ƒ 0,85 per week. Het is 1,95 m hoog, van de balklaag gemeten. In het perceel is geen doorlopend privaat, wel duinwater en gootsteen, d.w.z.: op een zeer klein portaaltje op de eerste verdieping is een gootsteen en een duinwaterkraan aangebracht. De zes gezinnen, die op de eerste en tweede verdieping wonen, moeten zich daarmede behelpen. Vier huisgezinnen wonend op evenzoveel zolderkamertjes, moeten om vers water te krijgen of om vuil water weg te werpen, telkens een steil trapje, 0,58 m breed af- en opgaan, hetgeen voor de man, 77 jaar oud, niet zo heel gemakkelijk gaat. De zolder bevat 4 ver­trekjes, die afzonderlijk verhuurd worden tegen ƒ 0,85 per week. De eigenares ontvangt dus aan huur voor een zolder 4 x 85 ct. =ƒ 3,40 per week, terwijl het regel is, dat een zolder nooit wordt verhuurd, maar als bergplaats dient ten gerieve van de verschillende bewoners van de verdiepingen. De eigenaars van de slechtste krotten maken van hun, in ‘huizen’ belegd kapitaal, vrij wat meer rente dan de eigenaars van goede woningen. De man, die hier reeds 10 jaar woont, is kleermaker, maar kan niet meer werken, omdat hij bijna niet meer zien kan. Hij ontvangt ondersteuning en nog wel van drie lichamen. Hij krijgt van de diakonie van de Nederlandsche Hervor­mde kerk ƒ 4,- per maand en ook een roggebrood per maand, van de gemeente krijgt hij ƒ 1,- per week en, de gemeente is royaler dan de kerk, een roggebrood per week, verder van de Vereeniging Liefdadigheid naar Ver­mogen ƒ 1,- per week. Van circa drie gulden per week, plus circa 1 1/4 roggebrood moeten hij en zijn ziekelijke vrouw leven”.

De Foeliedwarsstraat had destijds tal van gangen, o.a. Reizende Mansgang, Hardebollengang, Vliegende Arendsgang. Hoewel enkele van deze sloppen vaak een idyllisch binnenplaatsje vormden, waren de meeste bezet met krotten. Alleen al in de Foeliedwarsstraat waren wel vijftien “slopgens en steechgens” bezet met krotten, waarin de allerarmste bevolking van de stad huisves­ting zoekt.

De Jordaan was, met enkele andere volksbuurten, hard op weg te vervallen tot één van de el­lendigste woonbuurten van de stad met gebrekkige en slechte hygiënische omstandigheden. De stadsreiniging bestond nog niet en het vuil hoopte zich overal op, maar vooral werden de grachten verzamelplaatsen van alles wat de Amsterdammers kwijt wilden. De woningen hadden vaak geen wc, en het hele gezin moest zich dan behelpen met een emmertje met deksel pal naast of soms in de keuken naast het fornuis. Volgens de politieverordening mocht de inhoud niet in de grachten of goten gegooid worden maar het werd echter bij “zodanige gezinnen” ook niet opgehaald.

Er was geen water en riolering, en de grachten, straten en mensen stonken, de tyfus en cholera begon veel slachtoffers te eisen. Het stadsbestuur besloot de zes, eerder genoemde, grachten te dempen om de stankoverlast zoveel mogelijk te beperken.

In 1853 werd begonnen met distributie van drinkwater door de particuliere Duinwater Maatschappij. Slechts weinig huizen werden aanvankelijk op de hoofdleiding aangesloten, maar vooral de bevolking van de Jordaan profiteerde ervan omdat even buiten de Willemspoort een fon­tein kwam, waar men voor één cent een emmer helder drinkwater kon halen. De langzamerhand beter worden hygiënische toestanden zorgden ervoor dat de cholera bedwongen werd, maar andere ziekten zoals tyfus, tuberculose, malaria, pokken, mazelen, roodvonk en difterie eisten ieder jaar nog slachtoffers.

In 1872 werd het IJ afgesloten en door middel van een stoomgemaal bij Zeeburg werd de door­stroming van het grachtenwater van de modderige grachten in de Jordaan bewerkstelligd en gecon­troleerd. In 1874 werd een gemeentelijke Stadsreinigingsdienst opgericht. Tot in de jaren twintig reed de Boldootkar, de auto van de stadsreiniging, waarin de poepemmertjes geleegd werden. Het leefklimaat werd eindelijk beter.

Het burgerschap

Bevolkingsgroei en registratie

De Amsterdamse bevolkingsexplosie in de 17de eeuw is vooral aan immigratie te danken. In de trek naar de stad vormden ongehuwde jonge mannen en vrouwen een belangrijke groep. Zij reisden vaak grote afstanden, om zich tenslotte ergens te vestigen waar werk was. De vrouwen vonden veelal werk als dienstbode, de mannen als ongeschoolde of geschoolde knecht.

Amsterdam oefende in de 17de en 18de eeuw op dit beweeglijke arbeidsleger van jongeren een grote aantrekkingskracht uit. Dit blijkt uit de stedelijke ondertrouwregister. Van de ingeschrevenen die in Amsterdam tussen 1600 en 1700 voor het eerst in het huwelijk traden, kwam 58% van buiten de stad; 26% was afkomstig uit de Noorderlijke Nederlanden en 32% uit het buitenland. Tussen 1700 en 1800 kwam 48% der ondertrouwden van buiten Amsterdam; 23% uit de Noorderlijke Ne­derlanden en 25% uit het buitenland. De meeste buitenlandse jonggehuwden kwamen uit Duitsland, in de 17de eeuw vooral uit het aan zee gelegen Sleeswijk-Holstein, Hamburg, Bremen, Oost-Friesland en Oldenburg. In de 18de eeuw trad een verschuiving op naar in het binnenland gelegen gebieden, zoals Westfalen, Rijnland en Hessen.

Zoals bekend, was er vóór de Franse tijd geen sprake van een door de overheid geregelde Burgerlijke Stand; men kende slechts de doop-, trouw- en begrafenisboeken van de kerken. In het voorjaar van 1811, de tijd waarin ons land bij Frankrijk was ingelijfd, werd hier de Code Civil (het Franse burgerlijk wetboek) ingevoerd. Dit wetboek bevatte regels voor het inrichten en bijhouden van een burgerlijke stand. Als gevolg daarvan werd per 22 juli van dat jaar van overheidswege in iedere gemeente een viertal registers aangelegd, waarin de belangrijkste stadia uit het leven van iedere Nederlander werd vastgelegd. Er werd acte gemaakte van geboorte, huwelijk en echtschei­ding, en overlijden.

Ten tijde van de Republiek was het gereformeerde huwelijk het enige kerkelijke huwelijk dat geldig was voor de wet. De andere kerkgenootschappen kenden hun eigen huwelijksceremonie, maar deze had geen wettelijke geldigheid. Daarom moesten de trouwlustige leden van die kerken ook nog voor het gerecht of de stad trouwen. Voordat het huwelijk gesloten kon worden, moesten er nog vele handelingen worden verricht. Een bruidegom die nog geen 25 jaar oud was en een bruid die de leeftijd van 20 jaar nog niet had bereikt, hadden eerst toestemming van hun ouders nodig. Was deze verleend, dan werd het huwelijk drie maal afgekondigd of geproclameerd. Bruidegom en bruid kwamen dan onder de geboden te staan (in ondertrouw zijn). Voor de lidmaten van de gere­formeerde kerk werd deze afkondiging ’s zondags vanaf de kansel gedaan. De afkondiging van de geboden voor de niet-gereformeerden geschiedde op markt dagen vanaf de pui van het stadhuis of het rechthuis. Voor zowel de gereformeerde als de gerechtelijke ondertrouwregisters moest de plaats van herkomst van bruidegom en bruid opgegeven worden. Maar de plaats van herkomst was niet altijd gelijk aan de geboorteplaats, “jongeman van Utrecht”, of zelfs “jongeman geboren te De­venter” wil niet altijd zeggen dat de bewuste persoon ook in deze plaats is geboren. Hij of zij kan in een dorpje of buurtschap in de omgeving van de genoemde stad zijn geboren of in de genoemde stad alleen een groot gedeelte van zijn of haar jeugd hebben doorgebracht.

Het Poorterschap

Om binnen de poorten van de stad bepaalde extra vrijheden te verkrijgen moest de burger “poorter” worden. Een “poorter” is een officieel geregistreerd burger of burgeres van de stad, met alle rechten en plichten. Het poorterschap kon worden verworven door huwelijk, schenking of aankoop. Laatstgenoemde manier kwam het meeste voor. Als iemand de stad binnen kwam kon hij of zij (maar was niet verplicht) zich laten inschrijven op het stadhuis als ingezetene van de stad. Voor een bedrag van twaalf gulden (een soort belasting) kreeg men een bewijs van inschrijving, en kon men voor de 4 Burgemeesters de eed afleggen.

Was men met een poortersdochter gehuwd, dan behoefde men slechts de helft van dat bedrag te betalen. Het sprak vanzelf dat men voor het verwerven van het poorterschap over enig eigen ver­mogen moest beschikken. Personen aan wie het poorterschap geschonken kon worden, waren in veel gevallen bedienden van regeringsfunctionarissen. Als poorter had men binnen de stad een aantal rechten en plichten die vastgelegd waren in een “ordonnantie rakende het burgerschap”. Een keur uit 1465 bepaalde dat “niemant en moet poortersneringe doen die geen poorter en is”. Zonder poorterschap kon men geen handel drijven, een winkel openen of een beroep uitoefenen.

Zo kende men onder meer als rechten:

vrijheid tot het uitoefenen van alle beroepen,

vrije toetreding tot de gilden,

tolvrijheid.

Om voor het poorterschap in aanmerking te komen, behoefde men niet altijd binnen de stad te wonen. Het kwam voor dat personen die buiten de stadspoorten woonachtig waren tegen betaling tot poorters werden beëdigd. Deze mensen noemde men buitenpoorters. Het poorterschap was erfe­lijk. Kinderen van poorters werden door geboorte automatisch poorters.

Met het bewijs van inschrijving kon hij of zij lid worden van een gilde, wat betekende dat hij of­ficieel werk in zijn vak kon krijgen. Een ander voorbeeld van een voordeel van het poorterschap was het Burgerweeshuis aan de Kalverstraat. Iedere Amsterdammer, poorter, dus burger van de stad, kon zich voor f 1,50 laten inschrijven in de registers van het weeshuis. Wie dat liet doen was ervan verzekerd dat zijn kinderen na zijn dood een goede opvoeding genoten. Het kapitaal bleef aan de wezen en het weeshuis trok er tijdens de verzorging het vruchtgebruik van. Het Poorterschap werd in 1811 afgeschaft.

De ambachtsgilden

Globaal zag de situatie in Amsterdam er als volgt uit. De meeste ambachtslieden en winkeliers waren in gildeverband georganiseerd. De meerderheid van de Amsterdamse marktkooplieden was daarentegen niet door een gilde verbonden, op enkele categorieën na, zoals de visverkopers en -verkoopsters, de fruitverkopers en de vleesverkopers. Van de vrije beroepen waren slechts enkele in een gilde georganiseerd, zoals de chirurgijns. De ambachtsgilden waren erop gericht hun leden een bepaalde mate van zekerheid te bieden. Door deze vorm van aaneensluiting werd namelijk gepro­beerd de plaatselijke afzet- en arbeidsmarkt te beheersen. Het stadsbestuur stond wat dit betreft achter de gilden, maar omgekeerd betekende de officiële steun dat de gilden zich onder toezicht van de burgemeesters moesten stellen. Dezen beslisten uiteindelijk over de benoemingen van de gilde­bestuurders; ook de reglementen vielen onder de bevoegdheid van de stad. Dit laatste betekende dat in vele gevallen prijzen, lonen, werktijden, kwaliteitseisen en dergelijke door het stadsbestuur wer­den vastgesteld. Via het gildewezen werd er dus naar gestreefd het economische leven in Amster­dam via berekenbare kanalen te laten verlopen.

Het gildelidmaatschap bood nog meer. Als een broeder ziek, invalide, of te oud om te werken werd, kon hij vaak een beroep doen op een collectieve verzekeringskas. Dit was van belang in een tijd, waarin elke vorm van verzwakking tot armoede kon leiden. Het streven naar een gecon­troleerde arbeidsmarkt uitte zich in de zogenaamde gildedwang: de maatregel dat alleen gilde­broeders een bepaald beroep of bedrijf mochten uitoefenen en de bepaling dat de activiteiten van niet-leden onwettig waren. Bovendien kon niet iedereen zo maar lid van een gilde worden. De weg was lang en soms ook kostbaar. Om te beginnen was vaak een leertijd bij een gildemeester nodig, die werd gevolgd door een examen. Als er dan plaats was – het kon voorkomen dat het toegestane aantal leden beperkt was – diende vaak entreegeld te worden betaald. Er was daarbij nog een beperking: ieder gildelid moest in principe burger van Amsterdam zijn. Dit betekende dat slechts diegene die het poorterschap hadden geërfd of gekocht, of zij die een poortersdochter hadden getrouwd en zo burger van Amsterdam waren geworden, in aanmerking kwamen voor het lid­maatschap.

De gildebroeders kwamen bij elkaar in het Waaggebouw op de Nieuwmarkt. Dit vestingachtige gebouw was eenmaal een van de stadspoorten, de Sint-Antoniespoort. In 1614 was de poort binnen de stad gekomen, en kreeg het de functie van nieuwe waag. Grote weegschalen werden daar ge­bruikt voor het wegen van onder andere scheepsankers en geschut. De bovenverdieping kreeg een andere bestemming; hier bevond zich een wachthuis voor de schutterij en vergaderden er ver­scheidene Gilden zoals het Koekenbakkers-, Schilders-, Metselaars-, Schoenlappers- en Chirur­gijnsgilde. Bijna elk gilde had een eigen toegang tot de Waag, boven elke ingang waren de emble­men van het gilde aangebracht.

De metselaars, verenigd in een gilde met steenhouwers, leidekkers, loden pompenmakers en loodgieters, hadden een door Hendrick de Keyser kwistig met beeldhouwwerk versierd poortje; alle gereedschappen, die in die dagen door een vakman-metselaar gebruikt werden, kunnen er terug gevonden worden. Ook in het gebouw hebben de metselaars tot op heden hun sporen nagelaten. De gezellen, die meester wilden worden, moesten een proeve van vakbekwaamheid afleggen. Wel, in de Waag hebben zij die afgelegd. De gildekamer, waar zij eens bij elkaar kwamen en het aangren­zende torenvertrekje tonen merkwaardige en fraaie staaltjes van metselproeven, waaronder vooral kunstig bemetselde zuilen in schroefvorm de aandacht trekken.

Maar over het meest kenmerkende van het gildewezen, het streven naar monopolisering van het ambacht, begonnen de denkbeelden zich in de 18de eeuw steeds meer te wijzigen en na de Franse tijd zijn de gilden opgeheven

Kerkgenootschappen

De in 1578 triomferende gereformeerde kerk wist slechts een deel van de Amsterdammers te verenigen. Daarbij kwam dat tal van immigranten niet gereformeerd waren of werden. Aan het eind van de 18de eeuw was het dan ook zo dat de gereformeerde kerk iets meer dan de helft van de Am­sterdamse bevolking achter zich had.

Schuilkerken

Na de Alteratie (1566-1578 ) mochten de Katholieken hun godsdienst niet meer in het openbaar uitoefenen. De tolerantie van de stedelijke regenten was niet erg soepel, de lutheranen, doopsgezin­den, rooms-katholieken en joden hebben decennia lang hun godsdienstoefeningen in het ver­borgenen moeten houden. De meeste en belangrijkste schuilkerken zijn die van de Amsterdamse Rooms Katholieken geweest. De namen van de schuilkerken zijn meestal ontleend aan de huizen of pakhuizen, waar de gelovigen hun geheime samenkomsten hielden.

Pas na omstreeks 1630 kwam daar verandering in, en werden de verschillende kerken van buitenaf herkenbaar. In een aantal Amsterdamse grachtenhuizen vindt men nu nog achter de gevels schuilkerken terug, als herinnering aan een tijd waarin de niet-gereformeerde confessies aanstoot gaven, of geen aanstoot wilden geven.

Voorbeelden van schuilkerken zijn: “Het Boompje”, deze was gevestigd in de Kalverstraat waar nu Vroom en Dreesmann is. Dit kerkje werd hier in 1662 gebouwd door de Minderbroeders. Het gebouw was zo klein, dat er geen kansel was; de preekstoel was verborgen in een zijstuk van het hoogaltaar en werd naar voren gerold als er gepreekt moest worden. De kerk lag, als een echte schuilkerk, niet gelijkvloers maar op de eerste verdieping. Of de Mozes- en Aäronkerk op het Wa­terlooplein, die officieel Sint Antonius van Padua heet. In 1641 heeft Pater Boelensz. het huis Mozes- en Aäron in de Jodenbreestraat gekocht om er een schuilkerk te stichten.

Weeshuisscholen

Wanneer men de archieven van de verschillende weeshuizen bestudeert dan vindt men wel uitvoerige bijzonderheden over de gebouwen en over de regenten, die hun zorgen besteedden aan de opvoeding van de wezen, maar over het onderwijs, dat aan de kinderen werd gegeven vindt men weinig vermeld. Alleen de instructies voor de leermeesters zijn vaak uitgebreid opgenomen. De regenten hebben volgens de notulen veel aandacht moeten besteden aan straffen, die moeten worden uitgedeeld aan wezen, die zich aan wangedrag hadden schuldig gemaakt. Zachtzinnig was de opvoeding over het algemeen niet. De meest gewone straffen waren: aan het blok sluiten, enige dagen op water en brood, met de roede of de bullepees kastijden, enz.

Het Aalmoezeniershuis en de Inrichting voor Stadsbestedelingen.

In 1613 besloten Burgemeesteren “met advies ende goed vinden van de Vroedschap”, een College van Aalmoezeniers oftewel Armenvaders op te richten, om zorg te dragen voor de armen en de miserabelen. Wel heerste er enerzijds in de zeventiende eeuw in Amsterdam ongekende welvaar, maar anderzijds nam echter het aantal armen schrikbarend toe. Herhaaldelijk werden door Burgemeesteren en Schepenen keuren uitgevaardigd om de bedelarij tegen te gaan. Bedelaars werden door de Aalmoezeniers in het Werkhuis geplaatst. Zo werd in de zeventiende eeuw de werkloosheid bestreden. Ook werd aan de Aalmoezeniers de zorg opgedragen voor vondelingen, verlaten kinderen en wezen, die niet in het Burgerweeshuis konden worden geplaatst, omdat de ouders het poortersrecht misten.

Aanvankelijk werden deze kinderen in gezinnen uitbesteed. In de loop der jaren bleek, dat een afzonderlijk gebouw voor huisvesting van deze kinderen noodzakelijk was. En zo werd in 1666 besloten tot stichting van een huis voor deze kinderen. Het gebouw verrees in de nieuwe uitleg aan de Prinsengracht. Het is het gebouw waarin nu het Paleis van Justitie is gevestigd. Hierin werden nu vondelingen, verlaten kinderen en kinderen van ouders die gevangen zaten, opgenomen.

Het gesticht was oorspronkelijk voor 800 kinderen bestemd. In 1700 bedroeg het aantal al 1362. Na 1770 begint een grote stijging: in 1811 bedroeg het aantal verpleegden 4300. Deze sterke toename had een overbevolking van het gesticht tot gevolg. De zolders van een aangrenzend pakhuis werden tot slaapvertrekken ingericht, de kribben moesten boven elkaar worden geplaatst, terwijl soms drie kinderen in een bed sliepen, dat voor één kind bestemd was. Het gesticht was uitgegroeid tot een waar kinderpakhuis. De zeer jonge kinderen werden bij minnemoeders uitbesteed. Van hun zesde tot hun tiende jaar werden de kinderen in de schoollokalen onderwezen in “de gewone gebeden geschikt voor iedere godsdienst” en in het spellen en lezen. Van hun tiende to hun vijftiende jaar ontvingen ze onderwijs in lezen, schrijven en rekenen en in de leer van het kergenootschap, waartoe ze behoorden. De jongens werden na hun vijftiende jaar bij een baas geplaatst, terwijl de meisjes onderricht kregen in breien en naaien en behulpzaam waren bij de huishoudelijke bezigheden.

In 1822 verscheen een Koninklijk Besluit, waarbij bepaald werd, dat niet alleeen bedelaars en vrije kolonisten, maar ook vondelingen, wezen en verlaten kinderen, zodra zij de leeftijd van zes jaar hadden bereikt, moesten worden overgebracht naar de door de Maatschappij van Weldadigheid opgerichte koloniën. in 1824 werden 750 kinderen opgezonden. Jonge kinderen, die bij minnemoeders waren uitbesteed, werden naar Veenhuizen gezonden, zodra zij de leeftijd van zes jaar hadden bereikt. Slechts enkele invalide kinderen bleven in het gebouw achter. Toen deze bij gasthuisminnen waren geplaatst, stond het grote gebouw leeg. Het gebouw werd daarna ingericht voor Paleis voor Justitie.

Niet te peilen is het kinderleed, dat in Veenhuizen is geleden: onvoldoende voeding, slechte huisvesting, gebrekkig onderwijs. Een besmettelijke oogziekte, die vaak met blindheid eindigde, teisterde de kinderen in hoge mate. Meermalen nam de bevolking een dreigende houding aan, als de arme stakkers op een schuit, gelegen in de Prinsengracht, op transport werden gesteld naar een van de Zuiderzeeboten, die hen verder zou vervoeren.

In 1865 werden toch nog enige huisjes in de Lange Leidsedwarsstraat aangekocht en ingericht voor de verzorging van gasthuiskinderen.

Wetenswaardigheden

Hoe is de Jordaan aan zijn naam gekomen? Over de oorsprong van de naam lopen de meningen sterk uiteen:

-hij kan afgeleid zijn uit de tijd van de Franse refugies, die zich hier kwamen vestigen en die toen spraken van Jardin (tuin). Was dit naar aanleiding van de bloemennamen, waarmee de straten in dit kwartier aangeduid werden, of bedoelden zij de Franse tuin in de Elandsstraat, waar zij geregeld samenkomsten hielden?

-of de verklaring kan gevonden worden in het woord Jordictie, een verbastering van Jurisdictie of rechtsgebied.

-een derde mogelijkheid is: in de volksmond werd de Prinsengracht wel met de Bijbelse naam “Jor­daan” betiteld en al wat aan de overkant lag heette “overjordaans”.

Dan is er nog een veronderstelling, dat er op de Lindengracht een huis gestaan heeft, genaamd “De Jordaan” en dat de naam zich verbreid heeft over de gehele buurt.

In ieder geval is de juiste verklaring, ondanks alle onderzoekingen, nog steeds niet gevonden.

Wist U

Een Jordaner had z’n eigen taal (of moeten we spreken van een dialect). De straatnamen bijvoor­beeld werden zelden goed uitgesproken. In plaats van Laurier, Rozen- of Konijnenstraat, hoort men Lauwelier-, Rose- of Knijnebijs (bijs = straat), Manningstraat (Marnixstraat), Elensgracht (Elandsgracht).

Wist U

Dat Jan Klaassen en Katrijn uit de poppenkast echte Jordaneesen waren, zij stonden op de Dam vóór de Nieuwendijk (nog steeds zij het onder een nieuwe generatie). Hier hun huwelijks aankon­diging:

“Jan Claesz. van Amsterdam, trekwerker, oud 22 jaar, in de Anjelierstraat, en Catarina Pieters, van Amsterdam, oud 23 jaar, in de Tuinstraat, geven kennis aan de Kerkraad van de Nieuwe Kerk, van hun voorgenomen hu­welijk op 7 september 1686”

Wist U

Dat ’t Lootsje van de Erven Lucas Bols, een bedrijf dat in bijna 4 eeuwen nooit verhuisd is, maar dat nu toch is verplaatst naar Nieuw-Vennep, omdat uitbreiding op de huidige plaats niet meer mogelijk is. Het begon in 1575 als een eenmansbedrijf buiten de wallen van de stad in een houten loods van klein formaat. Binnen de wallen mocht Lucas Bols zijn stokerij niet vestigen met het oog op het brandgevaar omdat de huizen nog vaak van hout waren. Zes jaar later was het bedrijfje door uitbreiding van de stad toch binnen de muren komen te liggen en werd vanzelfsprekend het verbod opgeheven. De zaak groeide uit tot een wereldfirma die nu over een aantal grote terreinen beschikt, en waar een paar honderd mensen werken. Maar het heeft z’n eenvoudige naam “’t Lootsje” ge­houden.

Wist U

Dat er in 1934 opstand is uitgebroken in alle volksbuurten van Amsterdam, in verband met de voorgenomen steunverlaging – die in de Jordaan haar hoogtepunt had en zo zelfs, dat de politie zich moest terugtrekken tot buiten de Jordaangrenzen. Helaas vielen bij dit gebeuren, dat bijna een week duurde, vele doden en meer dan vijftig gewonden.

Geraadpleegde literatuur

Brugmans, Prof. Dr. H.: Geschiedenis van Amsterdam, deel 5: Stilstaand getij 1795/1848, Uit­geverij Het spectrum B.V. Utrecht/Antwerpen.

Brugmans, Prof. Dr. H.: Geschiedenis van Amsterdam, deel 6: Opgaand getij 1848/1925, Uitgeverij Het spectrum B.V. Utrecht/Antwerpen.

Carasso, D.: Amsterdamse geschiedenis in vogelvlucht, Amsterdams Historisch Museum, 1985.

Kruizinga, J.H. en Banning, J.A.: Amsterdam van A tot Z, A.J.G. Strengholt’s uitgeversmaatschappij N.V. aan de leidsegracht 11 te Amsterdam.

Mak, G.: De engel van Amsterdam, Uitgever Atlas-Amsterdam/Antwerpen 1995.

Mak, G.: Een kleine geschiedenis van Amsterdam,Uitgeverij Atlas-Amsterdam/Antwerpen 1995.

Schiltmeijer, J.R.: Amsterdam omstreeks 1780, Uitgeverij Minerva Amsterdam.

Schiltmeijer, J.R.: Amsterdam in 17e eeuwse prent, Uitgeverij Minerva Filmstrips – Afd. Boe­kenuitgaven, Zandvoort aan zee.

Steussy, J.S.: De Jordaan, Uitgave van de vereniging “Vrienden van het Amsterdam-Boek, 1974.

Vries, H. de: Amsterdam omstreeks 1900, Uitgeverij De bezige bij, Amsterdam, 1974.

Wenckebach, L.W.R.: Amsterdam omstreeks 1900, Uitgeverij De bezige bij, Amsterdam 1962.

Werkman, E.: De Jordaan, Uitgegeven door Elsevier-Amsterdam/Brussel.